Wat is Leefwereldonderzoek

Het leefwereldonderzoek in vogelvlucht.

Doel van de methode is dat mensen zich bewust worden van hun impliciete kennis en latente behoeften.

Onderdeel van de methode is het sensitiseren: het “opwarmen” van de deelnemers. Middels enkele voorbereidende opdrachten worden de deelnemers zich bewust van hun impliciete kennis die zij hebben over het onderwerp. Stel dat je een sessie wilt houden over woonbehoeften van jongeren die uit jeugdhulp komen, dan kun je ze vragen gedurende een week een dagboek bij te houden met momenten waarop ze zich thuis voelen op de plek waar ze nu wonen en momenten waarop dat niet zo is.

De sessie zelf bestaat uit twee delen. Een “maakdeel” om deelnemers mee te nemen in het associatief denken en herleven van herinneringen. Om in het voorbeeld te blijven: je vraagt de jongeren uit te beelden hoe hun ideale woonomgeving er uitziet.

En een “verteldeel” waarin deelnemers hun tekening/collage/model etc. presenteren. Het gaat in deze sessie niet zozeer om wat de deelnemer maakt, het gaat erom wat hij/zij erover vertelt.

In de analyse worden verhalen, beelden en uitleg over de beelden samengebracht per deelnemer en geanalyseerd. En vervolgens wordt bekeken wat de gemene delers van de persoonlijke analyses zijn. Zo ontstaat inzicht in dieperliggende behoeften die in een gesprek niet of nauwelijks naar boven komen.

Leefwereldonderzoek – De methode in zeven stappen

Vraagstuk: hoe krijgen gemeenten inzicht in waar cliënten echt behoefte aan hebben?

Steeds meer gemeenten gaan voor input vanuit cliëntperspectief direct in gesprek met het de mensen om wie het gaat. Gemeenten stellen in gesprek met inwoners en cliënten doorgaans twee soorten vragen:

  • Wat zijn uw ervaringen met de geboden zorg, ondersteuning of de dienstverlening van de gemeente?
  • Waar heeft u behoefte aan?

Bij de eerste vraag wordt teruggekeken: wat gaat er goed en waar zitten verbeterpunten? Dit is een geschikte vraag om bestaand aanbod te evalueren. Met de tweede vraag worden inwoners en cliënten gevraagd om vooruit te kijken: wat is er nog niet, maar zou er wel moeten zijn? Deze tweede vraag past bij de wens en noodzaak om te innoveren vanuit cliëntperspectief. Dat lijkt eenvoudig: als je wilt weten wat mensen willen, dan vraag je dat toch gewoon?

Uit allerlei (sociaalpsychologische en gedragseconomische) onderzoeken en experimenten blijkt echter dat het een stuk ingewikkelder in elkaar zit. Mensen zijn geen rationele calculerende wezens die weten wat ze willen en waar ze behoefte aan hebben[1].

Hoe kunnen gemeenten dan wel in gesprek met inwoners en cliënten over de toekomst? Over datgene dat er nog niet is, maar waar wel behoefte aan is? Ontwikkelaars van websites en apps hebben de laatste jaren methoden ontwikkeld waarmee dieperliggende wensen en behoeften van klanten (oftewel impliciete kennis en latente behoeften) naar de oppervlakte wordt gebracht. Deze technieken zijn interessant en bruikbaar voor het gesprek tussen gemeenten en burgers. In de onderstaande figuur wordt dit weergegeven:

Door mensen te bevragen wordt een oppervlakkige vorm van kennis aangesproken. Door mensen te observeren kom je al meer te weten over wat hen drijft. Tijdens een ‘generatieve sessie’ worden mensen zich bewust van latente behoeften en impliciete kennis. In zo’n sessie gaan mensen werken met materialen en beelden en daardoor wordt een ander deel van de hersenen aangesproken. Er wordt een brug geslagen van wat mensen zeggen, denken en doen naar wat mensen weten, voelen en dromen.

Om tot de gewenste vernieuwing in het sociaal domein te komen, is kennis van deze latente behoeften van burgers noodzakelijk. Probleem: als mensen zich (nog) niet bewust zijn van deze behoeften, zijn ze al helemaal niet in staat ze desgevraagd onder woorden te brengen. Het bereiken van deze dieperliggende behoeften vraagt om toepassing van een generatieve methode in het sociaal domein.

Het doel van de methode Leefwereldonderzoek is deze dieperliggende (tot nu toe nog onbekende) behoeften naar de oppervlakte te brengen. Zodat zij een rol kunnen spelen bij de beleidsontwikkeling.

[1]Illustratief voor ons onvermogen om aan te geven wat onze behoeften zijn, is een filmpje van Frans Bromet uit 1999 waarin mensen wordt gevraagd of zij behoefte hebben aan een mobiele telefoon. Alle mensen in het filmpje geven aan dat zij daar geen behoefte aan hebben. De kans dat al deze mensen inmiddels al jaren een smartphone hebben is groot, maar blijkbaar konden ze destijds niet voorzien dat ze ooit behoefte zouden krijgen aan een mobiele telefoon.